Onderzoek toont aan: bomenrijke straat goed voor gezondheid

Wonen in een groene wijk met veel bomen in de straat zorgt er voor dat bewoners zich gezonder voelen.
Dat blijkt uit een onderzoek van de University of Chicago, zo meldt het Nederlandse Gezondheidsnet.
De wetenschappers keken naar de bevolking van Toronto, een grote stad in Canada. Ze onderzochten het verband tussen een groene omgeving en gezondheid. Hiervoor combineerden ze satellietbeelden en informatie over bomen met gegevens uit 31.000 ingevulde vragenlijksten over hoe mensen hun gezondheid in het algemeen ervaarden, cardiometabole aandoeningen zoals hartziekten en diabetes en psychische klachten uit de Ontario Health Study.
Gezonder voelen
Uit verschillende analyses bleek dat mensen die in een wijk wonen met een hogere dichtheid aan bomen in de straat zich een stuk gezonder voelen en minder vaak last hebben van cardiometabole ziekten. Tien extra bomen per huizenblok bleken hoe gezond bewoners zich voelden in ongeveer dezelfde mate te verhogen als een inkomensstijging van 9000 euro per jaar of zeven jaar jonger zijn. De onderzoekers corrigeerden deze resultaten voor demografische factoren, zoals inkomen, leeftijd en opleiding.
Hoewel de onderzoekers een verband vonden tussen de hoeveelheid groen en gezondheid, is niet bewezen dat bomen je gezondheid verbeteren of op welke manier ze dat zouden doen. Mogelijk verhogen ze de luchtkwaliteit en misschien verminderen ze stress of zetten ze bewoners aan tot bewegen.
Bron: cgconcept.be

Onderzoek toont aan: Stadsgroen maakt warmte dragelijk

Meer nog dan water zorgt groen ervoor dat we ons prettig voelen in een stad op een warme zomerdag. Een goede en verspreide hoeveelheid stadsgroen is daarom essentieel om stadshitte te lijf te gaan.

Dat bewijst onderzoek van Wiebke Klemm. De promovenda landschapsarchitectuur onderzocht de bijdrage van stadsgroen aan het zogeheten thermisch comfort op warme zomerse dagen in de stad. Thermisch comfort wil zeggen: hoe wij de warmte beleven, hoe (on)aangenaam het samenspel van temperatuur, wind luchtvochtigheid en straling aanvoelt.

Als het warm is, zoeken we de schaduw op. En geen lekkerder schaduw dan die van een mooie boom. Maar gek genoeg is de relatie tussen thermisch comfort en stadsgroen volgens Klemm nauwelijks onderzocht. Meteorologen meten en berekenen van alles over hitte in de stad, maar dat zegt niks over hoe een mens die warmte echt ervaart en wat de rol van stadsgroen daarbij is. Klemm vroeg er wel naar in Arnhem, Rotterdam en Utrecht. De conclusie is helder: stadsgroen zorgt ervoor dat wij ons ‘thermisch’ prettig voelen. Water of de schaduw van gebouwen haalt het in onze beleving niet bij de verkoelende werking van een bomen.

In Utrecht werd daarnaast het thermisch comfort van het centrum, dertien parken en een stukje buitengebied gemeten door op twee bakfietsen vol apparatuur rondjes te rijden. Dat leverde gedetailleerde gegevens op over de temperatuur, de stralingstemperatuur en de zogeheten fysiologisch equivalente temperatuur. Dat laatste getal is een biometeorologische maat voor thermisch comfort. Ook de meetgegevens tonen aan dat groene plekken de koelte-eilanden in een stad zijn.

In parken is de lucht koeler (een graad Celsius), is de stralingstemperatuur lager (2,5 graad) en is de fysiologisch equivalente temperatuur lager (1,9 graad) dan in het centrum. De parken verschillen onderling tot wel twee graden in koelte. Dat komt volgens Klemm met name door de inrichting van het park. Tien procent meer boombedekking bijvoorbeeld levert een ruim drie graden lagere stralingstemperatuur op. Ook maakt het uit of er uit de richting van waar de wind komt groen aanwezig is.

De resultaten bewijzen volgens Klemm het belang van stadsgroen. Door de klimaatverandering zal de hitte in steden toenemen. Thermisch comfort zal daardoor volgens haar steeds belangrijker worden bij de inrichting van de buitenruimte. ‘Behoud en onderhoud daarom bestaand groen en zorg waar mogelijk voor meer en beter stadsgroen, zodat mensen op warme dagen een keuze hebben aan thermisch aangename plekken.’

Bron: wageningenur.nl

Buitenmensen blijven te veel binnen

De meeste Nederlanders willen graag meer buiten zijn omdat het gezond is of om er tot rust te komen. Iets meer dan de helft noemt zichzelf een buitenmens. Maar in de wintermaanden blijven veel mensen toch binnen.
Maar liefst 67% van de Nederlanders wil graag meer buiten zijn. En 92% van de Nederlanders denkt dat het gezond is om buiten te zijn. Toch doen veel Nederlanders dat niet. Ze blijven veel binnen, vooral in de winter. 70% blijft in de wintermaanden wel eens de hele dag binnen, terwijl bijna niemand dat een fijn idee vindt. Dat blijkt uit een onderzoek dat Wageningen Universiteit en Staatsbosbeheer met Bever uitvoerden onder 1069 Nederlanders van 18 jaar en ouder. De onderzoekers wilden weten hoe mensen denken over naar buiten gaan. Hoe vaak gaan ze naar buiten in de wintermaanden? En welke belemmering ervaren ze?
Buitenmens
Er zijn buitenmensen en binnenmensen. Buitenmensen worden geassocieerd met vrijetijdsbestedingen als wandelen, fietsen en kamperen. Binnenmensen worden geassocieerd met binnenactiviteiten zoals lezen, tv kijken, gamen, koken en knutselen, maar ook met bank(hangen), saai, lui, slapen, zitten en passief zijn. Er zijn net iets meer buitenmensen dan binnenmensen. Het rapport ‘Zijn Nederlanders buitenmensen?’ meldt dat iets meer dan de helft van de Nederlanders (51%) zichzelf een buitenmens noemt. Mensen ouder dan 45 jaar noemen zichzelf iets vaker een buitenmens. Die komen inderdaad ook meer buiten.
Mensen komen buiten om er te bewegen, om te genieten van de natuur of tot rust te komen, want daar is frisse lucht. Het is ook bewezen dat buiten zijn is goed voor de gezondheid vanwege blootstelling aan daglicht. Wandelen, fietsen en tuinieren zijn de meest genoemde activiteiten die mensen buiten ondernemen.
Wintermaanden
In de wintermaanden komen mensen niet veel buiten. Ruim de helft geeft aan in de wintermaand 89% van de tijd of meer binnen te zijn. Een kwart van de Nederlanders is in de winter minstens 1 keer per week de hele dag binnen. Ongeveer de helft was afgelopen winter liever meer buiten geweest. Toch deden ze dat niet omdat het weer te slecht is of omdat ze geen tijd hadden. ‘Te lui’, ‘Geen idee over wat te doen buiten’, ‘Geen gezelschap’ en ‘Gezondheid’ zijn andere veelgenoemde redenen waarom Nederlanders minder buiten komen dan ze zouden willen. Maar mensen met een hond komen wel vaker buiten. Slechts 25% van de mensen zonder hond gaat elke dag naar buiten, tegenover 50% van de mensen met een hond in de huishouding.
Ook kinderen zouden meer buiten moeten komen, vindt ongeveer drie kwart van de Nederlanders. Iets meer dan de helft vindt het daarom een goed idee dat scholen een deel van hun lessen buiten laten plaatsvinden. Het project Gezonde Schoolpleinen organiseerde mede hierom op 12 april 2016 de eerste buitenlesdag.
Bron: groenkennisnet.nl

Groen bestrijdt stress en houdt ons gezond

Sjerp de Vries (Alterra) heeft 147 studies naar de effecten op de gezondheid van mensen met een meer of minder groene omgeving doorgenomen. Zijn bevindingen bieden een inzicht in de actuele ‘stand van de wetenschap’ op dit terrein: we voelen allemaal aan dat ‘groen’ goed is voor ons welbevinden, onze gezondheid. Maar hoe zit dat, met dat verband?
Causaal?
Vanzelfsprekend is het niet goed mogelijk een ‘lopend verslag’ te produceren van een dergelijke metastudie. Springen van de hak op de (groene) tak is onvermijdelijk. Toch kan een selectie van bevindingen uit het onderzoek van De Vries ons inspireren en op het spoor zetten van nieuwe argumenten, nieuwe studieonderwerpen en nieuwe plannen om onze omgeving gezonder, plezieriger – groener te maken.
Valkuilen zijn er intussen genoeg, als we op zoek gaan naar oorzakelijk verband tussen ‘groen’  en gezond’. Dat blijkt al uit een schijnbaar losse opmerking in het begin van De Vries’ rapportage: de causale relatie tussen ‘groen’ en ‘welzijn’ kan heel goed omgekeerd zijn. Mensen met wie het goed gaat, in materieel opzicht bijvoorbeeld, zullen eerder dan arme lieden in staat en bereid zijn geld uit te geven aan het wonen in een ruim opgezette, groene wijk…
Maar in het algemeen is wel degelijk een relatie vastgesteld tussen de hoeveelheid groen in aandachtswijken en het gezondheidsniveau van de bevolking. Met andere woorden: ook in een arme wijk, zeker daar, kan groen helpen de bevolking gezond te houden. Zoals ook is vastgesteld dat in groene buurten de gezondheidsverschillen tussen welvarende en minder welvarende inwoners kleiner zijn dan in ‘stenige’ buurten. Met opnieuw de waarschuwing van de wetenschapper: let op dat je oorzaak en gevolg niet verwart. Bovendien: houd er rekening mee dat een vergroeningsprogramma in een stenige wijk kan leiden tot het aantrekkelijker, dus duurder maken van de (huur)huizen – en dan schieten op den duur de arme inwoners er ook niets mee op.
Minder antidepressiva
Met dat soort waarschuwingen in het achterhoofd is het wel degelijk mogelijk verbanden te vinden tonen tussen ‘groen’ en gezond. Zo is het duidelijk aangetoond dat in gebieden met veel groen – niet alleen tuinen, parken en plantsoenen, maar bijvoorbeeld ook bomen langs de weg – minder antidepressiva worden gebruikt. Zo een bevinding wordt ondersteund in diverse andere onderzoeken: het positieve effect van de groene omgeving werkt vooral via het verminderen van stress.
Intussen komen er vanuit de wetenschap ook relativerende geluiden. Zo vonden onderzoekers die zich richtten op wachtkamers in ziekenhuizen wel verschil in welbevinden, stressvermindering, tussen bezoekers van wachtkamers met en zonder groene planten. Maar als die planten niet echt waren leek dat niet veel uit te maken, zelfs posters met planten werkten al positief. Een andere relativering: in een studie lukte het niet een verschil aan te tonen tussen het effect van een groene tuin en een stenige, betegelde tuin. Nog een kanttekening: het effect van ‘groen’  is niet altijd gemakkelijk te isoleren van dat van andere omgevingsfactoren, zoals (het afwezig zijn van) verkeerslawaai, de aan- of afwezigheid van andere mensen.
Agrarische omgeving
In elk geval is het effect van een groene omgeving op de mentale gezondheid van mensen, door vermindering van depressieve klachten, angststoornissen die worden veroorzaakt door stress, duidelijk aangetoond. Conclusie: stressreductie is het algemeen voorkomende, generieke effect van ‘groen’ in de omgeving. In het verlengde daarvan is ook een verbetering van de immuunfunctie aangetoond, het bestand zijn van ons gezonde zelf tegen ‘aanvallen’ van buitenaf.
Hoe dan ook, verblijf in een groene omgeving leidt duidelijk tot vermindering van stress, dat geldt zowel voor tuinen, parken en plantsoenen, als voor verblijf op het boerenland, in een agrarische omgeving. Ook een ‘blauwe’ omgeving, water dus, helpt tegen stress: uitzicht op zee, meer of rivier geeft, kennelijk via een vergelijkbaar mechanisme, rust.
Men zou zich kunnen voorstellen dat er een verschil is tussen ‘wilde’ natuur en natuur die wordt beheerd door mensen, tussen oerwoud en park. Maar dat blijkt niet het geval te zijn. Net zo min trouwens als ‘schoonheid’, belevingswaarde, kwaliteit van de omgeving. Agrarisch gebied, eindeloze saaie korenvelden of weiden geven evenzeer rust als fraaie parken. Wat wel een rol speelt voor veel mensen is het aspect ‘er even uit zijn’, in een andere omgeving. Anderzijds hebben mensen de neiging zelf wel een verband te leggen tussen hun eigen welbevinden, ‘zich goed voelen’ en hun ervaring van schoonheid. ‘Ik voel me prettig, dus het is hier mooi’. Dat effect is dan sterker dan dat van de objectieve hoeveelheid ‘groen’.
Nog een voor beleidsmakers interessante bevinding: ‘gebruiksgroen’, waar je iets mee kunt doen, sporten bijvoorbeeld, heeft een sterkere stressverminderende werking dan groen waar je alleen maar naar mag kijken.
Groen helpt bij het leren
Soms ligt de conclusie voor de hand, maar is het goed je vermoedens door onderzoek bevestigd te zien: er is wel degelijk een positieve relatie aangetoond tussen een groene schoolomgeving en de cognitieve ontwikkeling, het leren van kinderen. Iets dergelijks geldt voor het economische effect van groen: zowel via vermindering van ziekteverzuim als via verminderde zorgconsumptie ‘spaart’  een groene omgeving geld uit. Nog een economisch effect: de aanwezigheid van groene planten in een kantooromgeving bleek te leiden tot een 15% hogere productiviteit.
Onderzoeksagenda: wat willen we nog meer weten?
Hoewel er dus al heel veel is onderzocht, wereldwijd, blijven er ook nog heel wat ‘kennisvragen’ over. Onderzoek heeft tot nu toe vooral betrekking gehad op de restoratieve kwaliteiten van groen: het helpt ons herstellen van stress. Maar wat nog ontbreekt is onderzoek naar wat men  noemt de ‘instoratieve’ effecten van groen: maakt een groene omgeving ons sterker, beter bestand tegen stress, of is groen alleen inzetbaar als ‘medicijn’ tegen stressproblemen als we die al hebben opgedaan? Daarover is nog onvoldoende bekend, zoals we ook nog niet beschikken over lange termijn studies, naar wat men noemt ‘longitudinale effecten’.
Een ander kennistekort heeft betrekking op de langere termijn: hoe blijvend is het gezondmakende effect van groen? En nog zoiets: hoe groot is het verschil tussen het effect van alleen maar de beschikbaarheid van groen en het er feitelijk mee in contact komen? Je kunt je voorstellen dat alleen al het idee dat je zo het bos in kunt lopen, rust geeft – ook als je er feitelijk nooit aan toe komt.
Stresshormoon meten
Net zo min beschikken we over experimentele studies, epidemiologische studies, interventiestudies. Kun je bij dezelfde groep mensen die in een stenen omgeving verkeert die je vervolgens ‘groen’ maakt, gezondheidseffecten aantonen? Je kunt je voorstellen dat we bij dergelijke proefpersonen gaan meten hoeveel stresshormoon (cortisol) aanwezig is in hun haar, voor en na de aanleg (of het verwijderen!) van hun groene omgeving. Ga er maar aanstaan!
We noemden al de bevinding dat agrarisch groen evenzeer weldadige effecten heeft als recreatief groen. Toch is duidelijk dat dat agrarische groen door ‘burgers’ minder wordt gewaardeerd. Maakt die waardering veel uit voor het stressreducerende effect?
Waar we ook nog wel wat meer over zouden willen weten is het effect van zeer kleinschalig groen in de bebouwde omgeving, geveltuintjes en dergelijke. Helpt dat ook? En hoe zit het met medegenieters? Hebben we meer profijt van onze eigen tuin als andere mensen er ook van genieten, of juist niet? Een nog een: maakt de kwaliteit van groen iets uit, een keurig aangelegde gewiede tuin, helpt die meer tegen stress dan een rommelig geheel? Welke bloemen, planten en bomen hebben meer effect dan andere? Is er geen sprake van dit soort verschillen, of is het mogelijk een beoordelingsmethode te ontwikkelen voor het onderscheid tussen meer en minder gezondheid bevorderend groen? Maakt het iets uit of we groen ‘gewoon’ horizontaal aanleggen, of werkt verticaal groen, klimop bijvoorbeeld, net zo goed?
Kosten en doelstellingen
Daarmee komen we ook terecht bij de kosten: hoe is de relatie tussen beeldkwaliteit, functionaliteit, beheers- en aanlegkosten? Is biodiversiteit een doelstelling die samenhangt met de gezondheidseffecten van groen voor de mens, of moeten we het bevorderen daarvan blijven zien als een aparte doelstelling?
Ook weten we nog niet echt hoe groot het verschil is, in effect, tussen verschillende manieren om contact te hebben met de natuur: ernaar kijken (bijvoorbeeld door een raam), erin verkeren (boswandeling), ermee werken, actief zijn. Het lijkt er intussen op dat het effect van straatgroen, plantsoentjes, groter is dan dat van eigen groen, ons voortuintje. Maar grootschalig onderzoek naar de verschillen, in effect, tussen groen in huis, straatgroen, de beschikbaarheid van een park om de hoek en het bezit van een eigen tuin(tje), is nog niet verricht. Waar we het ook nog niet over hebben gehad is het effect van groen op de sociale samenhang in een buurt: samen met de buren het plantsoen onderhouden, samen vandalisme tegengaan – dergelijke aspecten.
Ten slotte: op basis van 147 door Sjerp de Vries van Alterra onderzochte studies kunnen we vaststellen dat het positieve effect van groen op onze gezondheid, vooral via stressreductie, nu echt wel is aangetoond. Tegelijk weten we dat groen niet alleen van belang is voor onze gezondheid, ons welzijn, maar ook voor ons ecosysteem. We noemden al de biodiversiteit, maar er zijn meer aspecten, zoals het waterbeheer. Kortom er is nog veel te onderzoeken: maar de hoofdconclusie is duidelijk: Groen Moet!

Onderzoek toont aan: groen dak en zonnepanelen perfecte combinatie

Zonnepanelen en groene daken blijken een prima combinatie. Zonnepanelen werken efficiënter en op het dak ontstaat een gevarieerde flora en fauna.
Dat blijkt uit onderzoek van de Zurich University of Applied Sciences in de Zwitserse stad Bazel. De studie bevestigt het idee dat zonnepanelen beter functioneren als ze op een laag vegetatie staan. Planten brengen waterdamp in de lucht en voorzien de zonnecellen van extra koeling. Vooral bij hoge temperaturen werken de zonnepanelen daardoor efficiënter.
De wetenschappers ontdekten dat het groene dak zelf ook baat heeft bij de plaatsing van zonnepanelen. De schaduwen van de panelen verhogen de variatie in bodemtemperatuur. Er ontstaan plekken die koeler en natter zijn naast warme, droge stukken dak. Uit het Zwitserse onderzoek blijkt dat de biodiversiteit op een groen dak met zonnepanelen hoger is dan op een gewoon groen dak. Zowel de diversiteit van het plantenleven als het aantal aanwezige insectensoorten gaat flink omhoog.
Bazel is de stad met het grootste oppervlak aan groene daken per inwoner in de wereld. Sinds 2002 zijn ze verplicht voor nieuwe gebouwen. Eerst zag de stad die verplichting vooral als energiebesparende maatregel. Later werd ook het behoud van de biodiversiteit belangrijker.
Bron: duurzaambedrijfsleven.nl

Meer bomen doen overstromingswater met een vijfde afnemen

Het doelgericht aanplanten van bomen op de oevers van rivieren kan de hoeveelheid overstromingswater met twintig procent doen afnemen. Dat berekenden onderzoekers van de universiteiten van Birmingham en Southampton.
Voor hun studie onderzochten de wetenschappers het stroomgebied van New Forest, stroomopwaarts van de stad Brockenhurst in Groot-Brittannië. Ze wilden nagaan hoe het strategisch aanplanten van bomen de piekhoogte van het overstromingswater kan beïnvloeden in de lager gelegen gebieden.
Door bomen aan te planten op de oever van een rivier over een afstand van ongeveer een vierde van de totale lengte van de rivier, kan de hoogte van het overstromingswater tot twintig procent verminderen. Naarmate de bomen groter en ouder worden, zal de hoeveelheid water die ze vasthouden nog toenemen.
Natuurlijke processen zoals het aanplanten van bomen en het beheer van bestaande bossen is vaak voldoende om aan risicoreductie te doen. Het onderzoek is verschenen in het vakblad Earth Surfaces Processes and Landforms.
Bron: cgconcept.be
 

Onderzoek toont aan: mensen gezonder en gelukkiger door groene omgeving

Mensen in een groene woonomgeving voelen zich gezonder en gelukkiger dan bewoners in wijken met minder groen. Dat blijkt uit onderzoek van promovenda Yang Zhang van de Rijksuniversiteit Groningen onder 223 bewoners van de Groningse wijken Corpus den Hoorn-Noord en De Hoogte.
Zhang, promovenda bij de afdeling Planologie van de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen, selecteerde voor haar onderzoek de buurten Corpus den Hoorn-Noord en De Hoogte. Twee wijken met een vergelijkbare bevolking en eenzelfde hoeveelheid groen, maar met verschillende gebruikskwaliteit van dat groen.
Het percentage groenoppervlak ligt in beide buurten rond de 25%. In De Hoogte bestaat echter meer dan de helft van het groen uit niet goed toegankelijk of beperkt bruikbaar groen, zoals groenstroken langs een spoorlijn. In Corpus den Hoorn-Noord is veel meer groen toegankelijk en bruikbaar.
Bron: dvhn.nl
 

Tien bijenhotels op een rij in Archeon voor onderzoek

Aan de witte muur van de Romeinse tempel in Archeon in Alphen aan den Rijn hangen 10 bijenhotels. Deze hangen daar in het kader van een wetenschappelijk onderzoek van EIS Kenniscentrum Insecten (partner van Naturalis in Leiden).
De bijenhotels bestaan uit blokken hout met geboorde gaten. Wilde bijen maken gebruik van deze gaten om er hun nestjes in te bouwen. De bijenhotels zijn gemaakt van Amsterdams iepenhout door het bedrijf BeeInc.

Waarom dit onderzoek?
Er bestaat onduidelijkheid over de precieze voorkeuren van wilde bijen wat betreft de ‘rafeligheid’ van de geboorde gaten. Kenners beweren vaak dat ze liever in gladde gaten nestelen. Anderen zeggen dat dit niets uitmaakt en dat ze net zo lief in rafelige gaten nestelen. Aan de muur van de Romeinse tempel hangen vijf bijenhotels met rafelig geboorde gaten en vijf met glad afgewerkte gaten. Door voor beide typen gaten bij te houden hoeveel bijen er gebruik van maken, komen we hopelijk te weten welke voorkeur de wilde bijen hebben. Met die informatie kunnen we deze bijen een handje helpen!

Het onderzoek is een initiatief van EIS Kenniscentrum Insecten in samenwerking met Archeon. In Alphen aan den Rijn en omgeving werken vele partijen samen aan een bloem- en bijenrijker landschap in het project Groene Cirkels Bijenlandschap.
Bron: alphens.nl

Natuurrijke omgeving van essentieel belang voor een gezonde jeugd

Maakt groen in de omgeving van kinderen echt het verschil om gezond op te groeien, of maakt het niet zoveel uit? Wetenschappers zeggen in een artikel in de Volkskrant onafhankelijk van elkaar dat een natuurrijke omgeving heel belangrijk is voor een gezonde jeugd. Maar vooral als de omliggende natuur uitnodigt om te recreëren.
Het klinkt zo logisch: weilanden, bossen en water versus snelwegen, flats en beton. Kinderen die op het platteland opgroeien moeten wel gezonder zijn dan kinderen die opgroeien in de stad. Toch is de plek stad of platteland niet doorslaggevend hoe gezond kinderen opgroeien. Er spelen meer factoren mee. Maar dat er dichtbij huis natuur aanwezig is om in te wandelen, spelen, rennen, klimmen is een zeer belangrijke factor.
Motorische ontwikkeling
Onderzoeker Jordi Sunyer onderzocht een aantal jaar geleden  de invloed van natuur op het werkgeheugen, het concentratievermogen en de motorische ontwikkeling op kinderen van 7 tot 10 jaar oud. Zijn onderzoek vond plaats in Barcelona. Kinderen die het minst aan verkeersvervuiling werden blootgesteld, scoorden het best en leken zich sneller te ontwikkelen.
Vroege leefomgeving
Esmée Bijnens, moleculair bioloog, is stellig in het artikel. ‘Kies, als je gezond wilt opgroeien, een plek met voldoende groen.’ Haar onderzoek naar de invloed van de vroege leefomgeving op onze gezondheid is wetenschappelijk opgezet. Zij bekeek de ‘telomeerlengte’ van ruim tweehonderd tweeling uit Oost-Vlaanderen. Een telomeer is een stukje dna aan het uiteinde van een chromosoom. Hoe korter de telomeren, hoe minder buffers je hebt voor ziektes en in het verlengde daarvan hoe minder statistische levensjaren.
Drukke weg
Bijnens zag dat de periode van zwangerschap en de vroege leefomgeving cruciaal zijn omdat de celdeling van kinderen veel sneller verloopt dan die van volwassenen. In haar onderzoek zag ze dat verouderingskenmerken bij tweelingen die opgroeiden nabij een drukke weg sterker aanwezig waren. Ze zag ook een lager geboortegewicht en op jonge leeftijd een hogere bloeddruk.
Fijnstof
De Volkskrant laat ook Bert Brunekreeft, hoogleraar milieu-epidemiologie (Universiteit Utrecht), aan het woord. Hij zegt dat het niet gaat om stad versus platteland. Het gaat om de aanwezigheid van ozon, fijnstof, stikstofdioxide en zwaveldioxide in de lucht. In de buurt van intensieve veehouderij, het Ruhrgebied, de Rotterdamse haven of een grote snelweg is de concentratie van deze stoffen hoger. Brunekreeft adviseert om voor wonen, werken en school een beetje uit de buurt van deze plekken te blijven.
Recreatie
Brunekreeft zegt dat de aanwezigheid van groen niet genoeg is. ‘Zoek een omgeving die actieve recreatie in de buitenlucht stimuleert. Beweeg je actief en dus niet gemotoriseerd door het leven en vermijd ook daarbij weer drukke wegen waar mogelijk.’ Overigens ziet hij dat gezond opgroeien vooral afhangt van de sociaal-economische status van ouders.
Sociale status ouders
Dat laatste bevestigt hoogleraar en omgevingspsycholoog Agnes van den Berg. Hoe minder welgesteld, hoe meer deze groep behoefte heeft aan groen dat laagdrempelig te bereiken is, vermoedt Van den Berg. ‘Deze mensen komen vaak uit zichzelf niet op het idee om met hun kinderen de natuur in te trekken, of hebben er de middelen niet voor. Het is daarom belangrijk dat het groen gewoon om de hoek ligt.’
Bron: kinderopvangtotaal.nl

Onderzoek toont aan: Minder sterfgevallen in groene wijken

Hoe meer groen in de leefomgeving, hoe beter mensen zich voelen en hoe kleiner de kans op een ontijdige dood. Dat blijkt uit de samenvatting die Magdalena van den Berg, promovenda sociale geneeskunde bij het VU Medisch Centrum in Amsterdam, maakte van al het internationale onderzoek dat op dit gebied is verschenen.
Van den Berg heeft de kwaliteit van veertig studies naar de relatie tussen groen en gezondheid beoordeeld en concludeert dat er genoeg goede onderzoeken zijn uitgevoerd die samen bewijskracht leveren voor een positief verband. ‘Mensen voelen zich sterker als ze in een buurt met veel parkjes, bos of groenstroken wonen. Negentien studies laten een relatie zien tussen de nervositeit en somberte van bewoners en het aandeel groen in een woonwijk. Daarnaast wijzen nog eens zeven studies in Engeland, Amerika, Canada en Japan uit dat er een relatie bestaat tussen de hoeveelheid natuur in de wijk en het sterftecijfer. In een omgeving met veel groen is de kans op sterfte lager dan in een stenige wijk.’
Sociaal-economisch
Groen in de leefomgeving lijkt vooral belangrijker voor mensen met een lage sociaal-economische status. ‘Mensen met een hoge opleiding en genoeg geld hebben meer mogelijkheden zich te ontspannen’, zegt Van den Berg. ‘Zij nemen een abonnement op de sportschool, gaan op vakantie en zijn mobieler.’
Om te beoordelen hoe groen een wijk is, is in sommige onderzoeken gebruikgemaakt van Google Maps en satellietgegevens, en in andere van de inschatting van de proefpersonen. Wat betreft gezondheid gaat het om door de deelnemers zelf gerapporteerde gegevens. Sterftecijfers zijn uit overheidsregisters afkomstig.
Bij dit soort studies is zo veel mogelijk uitgesloten dat het verband kan worden verklaard door andere variabelen, zoals de sociaal-economische status, man-vrouwverhouding of de leeftijden van de deelnemers in de onderzoeksgroep.
Bron: newscientist.nl