Berichten

Dynamisch stuk van petunia-DNA verantwoordelijk voor grote variatie in bloemvorm en bloemkleur

Petunia’s heb je in vele soorten en maten. Mede daardoor zijn het populaire perkplanten, die in mei en juni in de tuin en op het terras verschijnen. Die variatie vind je niet alleen bij de petunia’s in de winkel, ook wilde petunia’s hebben een grote variatie in kleuren en vormen. En dan weet je één ding zeker: al die verschillende petunia’s worden waarschijnlijk bestoven door even zoveel verschillende insecten. Het ene insect wordt aangetrokken door paarse bloemen, het andere door witte, het ene insect kan een hele smalle bloem in en het andere kan als enige door een hele lange bloembuis nog nét bij de nectar komen.

Een groot internationaal team met onder andere wetenschappers van Wageningen University, heeft nu het DNA van twee wilde petunia-soorten in kaart gebracht en gepubliceerd in Nature Plants. En wat blijkt: in het stuk DNA met genen, die betrokken zijn bij bloemkleur en bloemvorm, is veel variatie tussen de twee soorten aanwezig. Je zou het een ‘hot spot’ van genetische diversiteit kunnen noemen, andere delen van het petunia-DNA variëren veel minder sterk.
Petunia’s die in de winkel te koop zijn, zijn over het algemeen nakomelingen van een kruising tussen twee wilde soorten: Petunia axillaris en Petunia inflata. De hybride petunia werd, heel toepasselijk,Petunia hybrida genoemd. Door deze hybrideplanten verder te kruisen en te selecteren ontstonden in de loop van de jaren de vele varianten. In het DNA van Petunia hybrida werden veel meer genen van de wittePetunia axillaris gevonden dan van de paarsige Petunia inflata. De onderzoekers schrijven dat dit te maken kan hebben met de witte bloemkleur van deze soort. De andere bloemkleuren komen waarschijnlijk makkelijker naar voren wanneer je als plantenveredelaar in je kruisingsprogramma’s relatief veel gebruik maakt van de witte soort.
Volgens de onderzoekers is Petunia axillaris via evolutie ontstaan uit een voorouder die sterk leek op Petunia inflata. Het axillaris-type ontstond doordat de plant via een mutatie in een gen niet meer in staat was de paarse kleurstoffen te maken. Min of meer tegelijk werd door evolutie de geur van de bloemen veel sterker. Zo werden de axillaris-planten aantrekkelijk voor motjes, terwijl de ‘originele’ inflata-bloemen juist door bijen bezocht worden.
Artikel in Nature Plants
Het artikel in Nature Plants laat ook zien dat Petunia een goed ‘modelsysteem’ is voor onderzoek aan planten. Ze groeien makkelijk, vormen snel een nieuwe generatie en je kunt eenvoudig mutaties maken en zien, bijvoorbeeld in de bloemen. Ook zit Petunia in dezelfde familie als belangrijke voedselgewassen zoals tomaat en aardappel: de Solanaceae. Omdat de planten aan elkaar verwant zijn, kunnen onderzoekers en plantenveredelaars dankzij het in kaart gebrachte petunia-DNA nog beter onderzoek doen naar de functies van genen in het DNA van tomaat en aardappel.
Ook tomaten
Aan de ontrafeling van het petunia-DNA hebben veel verschillende groepen meegewerkt, elk met hun eigen belangstelling voor petunia’s. Zo heeft de Wageningse groep, de leerstoel Biosystematiek, in het DNA gekeken naar ‘sporen’ van verdubbeling of verdrievoudiging van het gehéle genoom (al het DNA). De onderzoekers vonden inderdaad stukken DNA die daar kenmerkend voor zijn. Zo vonden ze sporen van de DNA-verdrievoudiging die ook in tomaten is gevonden en die bekend staat als specifiek voor de familie van de nachtschaden, de Solanaceae. Door de DNA stukken in petunia te vergelijken met die van tomaat en een plant uit een andere familie, konden de Wageningse onderzoekers iets zeggen over het tijdstip waarop de verdrievoudiging van het DNA plaatsvond: ongeveer 49 miljoen jaar geleden.
MiRNAs
Samen met de groep Plantengenetica van de Radboud Universiteit, Nijmegen, is gekeken naar kleine RNA’s (microRNA’s, miRNA’s) in petunia. MiRNAs zijn betrokken bij het sturen van de activiteit van genen, onder andere tijdens de ontwikkeling van de plant. Er is eerst gekeken welke miRNAs in bloemknoppen zitten en daarna zijn hun genen in het petunia DNA in kaart gebracht. Uit de DNA-bouwsteenvolgordes bleek dat Petunia axillaris en Petunia inflata dezelfde genen voor miRNAs hebben. Deze genen zijn dus al ontstaan vóórdat vanuit Petunia inflata de nieuwere soort Petunia axillara ontstond. Genen die in evolutietermen lang hetzelfde blijven, hebben overeen het algemeen een belangrijke functie.

Groen bestrijdt stress en houdt ons gezond

Sjerp de Vries (Alterra) heeft 147 studies naar de effecten op de gezondheid van mensen met een meer of minder groene omgeving doorgenomen. Zijn bevindingen bieden een inzicht in de actuele ‘stand van de wetenschap’ op dit terrein: we voelen allemaal aan dat ‘groen’ goed is voor ons welbevinden, onze gezondheid. Maar hoe zit dat, met dat verband?
Causaal?
Vanzelfsprekend is het niet goed mogelijk een ‘lopend verslag’ te produceren van een dergelijke metastudie. Springen van de hak op de (groene) tak is onvermijdelijk. Toch kan een selectie van bevindingen uit het onderzoek van De Vries ons inspireren en op het spoor zetten van nieuwe argumenten, nieuwe studieonderwerpen en nieuwe plannen om onze omgeving gezonder, plezieriger – groener te maken.
Valkuilen zijn er intussen genoeg, als we op zoek gaan naar oorzakelijk verband tussen ‘groen’  en gezond’. Dat blijkt al uit een schijnbaar losse opmerking in het begin van De Vries’ rapportage: de causale relatie tussen ‘groen’ en ‘welzijn’ kan heel goed omgekeerd zijn. Mensen met wie het goed gaat, in materieel opzicht bijvoorbeeld, zullen eerder dan arme lieden in staat en bereid zijn geld uit te geven aan het wonen in een ruim opgezette, groene wijk…
Maar in het algemeen is wel degelijk een relatie vastgesteld tussen de hoeveelheid groen in aandachtswijken en het gezondheidsniveau van de bevolking. Met andere woorden: ook in een arme wijk, zeker daar, kan groen helpen de bevolking gezond te houden. Zoals ook is vastgesteld dat in groene buurten de gezondheidsverschillen tussen welvarende en minder welvarende inwoners kleiner zijn dan in ‘stenige’ buurten. Met opnieuw de waarschuwing van de wetenschapper: let op dat je oorzaak en gevolg niet verwart. Bovendien: houd er rekening mee dat een vergroeningsprogramma in een stenige wijk kan leiden tot het aantrekkelijker, dus duurder maken van de (huur)huizen – en dan schieten op den duur de arme inwoners er ook niets mee op.
Minder antidepressiva
Met dat soort waarschuwingen in het achterhoofd is het wel degelijk mogelijk verbanden te vinden tonen tussen ‘groen’ en gezond. Zo is het duidelijk aangetoond dat in gebieden met veel groen – niet alleen tuinen, parken en plantsoenen, maar bijvoorbeeld ook bomen langs de weg – minder antidepressiva worden gebruikt. Zo een bevinding wordt ondersteund in diverse andere onderzoeken: het positieve effect van de groene omgeving werkt vooral via het verminderen van stress.
Intussen komen er vanuit de wetenschap ook relativerende geluiden. Zo vonden onderzoekers die zich richtten op wachtkamers in ziekenhuizen wel verschil in welbevinden, stressvermindering, tussen bezoekers van wachtkamers met en zonder groene planten. Maar als die planten niet echt waren leek dat niet veel uit te maken, zelfs posters met planten werkten al positief. Een andere relativering: in een studie lukte het niet een verschil aan te tonen tussen het effect van een groene tuin en een stenige, betegelde tuin. Nog een kanttekening: het effect van ‘groen’  is niet altijd gemakkelijk te isoleren van dat van andere omgevingsfactoren, zoals (het afwezig zijn van) verkeerslawaai, de aan- of afwezigheid van andere mensen.
Agrarische omgeving
In elk geval is het effect van een groene omgeving op de mentale gezondheid van mensen, door vermindering van depressieve klachten, angststoornissen die worden veroorzaakt door stress, duidelijk aangetoond. Conclusie: stressreductie is het algemeen voorkomende, generieke effect van ‘groen’ in de omgeving. In het verlengde daarvan is ook een verbetering van de immuunfunctie aangetoond, het bestand zijn van ons gezonde zelf tegen ‘aanvallen’ van buitenaf.
Hoe dan ook, verblijf in een groene omgeving leidt duidelijk tot vermindering van stress, dat geldt zowel voor tuinen, parken en plantsoenen, als voor verblijf op het boerenland, in een agrarische omgeving. Ook een ‘blauwe’ omgeving, water dus, helpt tegen stress: uitzicht op zee, meer of rivier geeft, kennelijk via een vergelijkbaar mechanisme, rust.
Men zou zich kunnen voorstellen dat er een verschil is tussen ‘wilde’ natuur en natuur die wordt beheerd door mensen, tussen oerwoud en park. Maar dat blijkt niet het geval te zijn. Net zo min trouwens als ‘schoonheid’, belevingswaarde, kwaliteit van de omgeving. Agrarisch gebied, eindeloze saaie korenvelden of weiden geven evenzeer rust als fraaie parken. Wat wel een rol speelt voor veel mensen is het aspect ‘er even uit zijn’, in een andere omgeving. Anderzijds hebben mensen de neiging zelf wel een verband te leggen tussen hun eigen welbevinden, ‘zich goed voelen’ en hun ervaring van schoonheid. ‘Ik voel me prettig, dus het is hier mooi’. Dat effect is dan sterker dan dat van de objectieve hoeveelheid ‘groen’.
Nog een voor beleidsmakers interessante bevinding: ‘gebruiksgroen’, waar je iets mee kunt doen, sporten bijvoorbeeld, heeft een sterkere stressverminderende werking dan groen waar je alleen maar naar mag kijken.
Groen helpt bij het leren
Soms ligt de conclusie voor de hand, maar is het goed je vermoedens door onderzoek bevestigd te zien: er is wel degelijk een positieve relatie aangetoond tussen een groene schoolomgeving en de cognitieve ontwikkeling, het leren van kinderen. Iets dergelijks geldt voor het economische effect van groen: zowel via vermindering van ziekteverzuim als via verminderde zorgconsumptie ‘spaart’  een groene omgeving geld uit. Nog een economisch effect: de aanwezigheid van groene planten in een kantooromgeving bleek te leiden tot een 15% hogere productiviteit.
Onderzoeksagenda: wat willen we nog meer weten?
Hoewel er dus al heel veel is onderzocht, wereldwijd, blijven er ook nog heel wat ‘kennisvragen’ over. Onderzoek heeft tot nu toe vooral betrekking gehad op de restoratieve kwaliteiten van groen: het helpt ons herstellen van stress. Maar wat nog ontbreekt is onderzoek naar wat men  noemt de ‘instoratieve’ effecten van groen: maakt een groene omgeving ons sterker, beter bestand tegen stress, of is groen alleen inzetbaar als ‘medicijn’ tegen stressproblemen als we die al hebben opgedaan? Daarover is nog onvoldoende bekend, zoals we ook nog niet beschikken over lange termijn studies, naar wat men noemt ‘longitudinale effecten’.
Een ander kennistekort heeft betrekking op de langere termijn: hoe blijvend is het gezondmakende effect van groen? En nog zoiets: hoe groot is het verschil tussen het effect van alleen maar de beschikbaarheid van groen en het er feitelijk mee in contact komen? Je kunt je voorstellen dat alleen al het idee dat je zo het bos in kunt lopen, rust geeft – ook als je er feitelijk nooit aan toe komt.
Stresshormoon meten
Net zo min beschikken we over experimentele studies, epidemiologische studies, interventiestudies. Kun je bij dezelfde groep mensen die in een stenen omgeving verkeert die je vervolgens ‘groen’ maakt, gezondheidseffecten aantonen? Je kunt je voorstellen dat we bij dergelijke proefpersonen gaan meten hoeveel stresshormoon (cortisol) aanwezig is in hun haar, voor en na de aanleg (of het verwijderen!) van hun groene omgeving. Ga er maar aanstaan!
We noemden al de bevinding dat agrarisch groen evenzeer weldadige effecten heeft als recreatief groen. Toch is duidelijk dat dat agrarische groen door ‘burgers’ minder wordt gewaardeerd. Maakt die waardering veel uit voor het stressreducerende effect?
Waar we ook nog wel wat meer over zouden willen weten is het effect van zeer kleinschalig groen in de bebouwde omgeving, geveltuintjes en dergelijke. Helpt dat ook? En hoe zit het met medegenieters? Hebben we meer profijt van onze eigen tuin als andere mensen er ook van genieten, of juist niet? Een nog een: maakt de kwaliteit van groen iets uit, een keurig aangelegde gewiede tuin, helpt die meer tegen stress dan een rommelig geheel? Welke bloemen, planten en bomen hebben meer effect dan andere? Is er geen sprake van dit soort verschillen, of is het mogelijk een beoordelingsmethode te ontwikkelen voor het onderscheid tussen meer en minder gezondheid bevorderend groen? Maakt het iets uit of we groen ‘gewoon’ horizontaal aanleggen, of werkt verticaal groen, klimop bijvoorbeeld, net zo goed?
Kosten en doelstellingen
Daarmee komen we ook terecht bij de kosten: hoe is de relatie tussen beeldkwaliteit, functionaliteit, beheers- en aanlegkosten? Is biodiversiteit een doelstelling die samenhangt met de gezondheidseffecten van groen voor de mens, of moeten we het bevorderen daarvan blijven zien als een aparte doelstelling?
Ook weten we nog niet echt hoe groot het verschil is, in effect, tussen verschillende manieren om contact te hebben met de natuur: ernaar kijken (bijvoorbeeld door een raam), erin verkeren (boswandeling), ermee werken, actief zijn. Het lijkt er intussen op dat het effect van straatgroen, plantsoentjes, groter is dan dat van eigen groen, ons voortuintje. Maar grootschalig onderzoek naar de verschillen, in effect, tussen groen in huis, straatgroen, de beschikbaarheid van een park om de hoek en het bezit van een eigen tuin(tje), is nog niet verricht. Waar we het ook nog niet over hebben gehad is het effect van groen op de sociale samenhang in een buurt: samen met de buren het plantsoen onderhouden, samen vandalisme tegengaan – dergelijke aspecten.
Ten slotte: op basis van 147 door Sjerp de Vries van Alterra onderzochte studies kunnen we vaststellen dat het positieve effect van groen op onze gezondheid, vooral via stressreductie, nu echt wel is aangetoond. Tegelijk weten we dat groen niet alleen van belang is voor onze gezondheid, ons welzijn, maar ook voor ons ecosysteem. We noemden al de biodiversiteit, maar er zijn meer aspecten, zoals het waterbeheer. Kortom er is nog veel te onderzoeken: maar de hoofdconclusie is duidelijk: Groen Moet!

Kijken naar groen verhoogt de concentratie

De Groene Stad is verheugd over de uitkomsten van een onderzoek dat gedaan is aan de University of Melbourne. Dit onderzoek toont namelijk aan dat het kijken naar groen, concentratie verhogend is.
Dat een groene omgeving- of zelfs alleen maar het kijken ernaar -veel positieve effecten op ons heeft, is bekend. Zo ervaren mensen minder stress en voelen zij zich veiliger in een groene omgeving. Aan dat rijtje kan nu dus ook een verhoogd concentratievermogen worden toegevoegd.
Werkwijze onderzoek
Het onderzoek ging als volgt in zijn werk. Honderdvijftig studenten kregen de opdracht om op een knop drukken terwijl er op een beeldscherm getallen voorbij flitsten, tenzij dat cijfer een drie was. Halverwege de opdracht kregen ze 40 seconden pauze. De helft van de groep mocht naar een afbeelding van een dak met begroeiing kijken, de andere helft bekeek een afbeelding van een kaal, betonnen dak.
Na deze pauze bleken de studenten die het groene dak hadden gezien beter te presteren. Ze maakten minder fouten en waren een stuk geconcentreerder dan de proefpersonen die het betonnen dak hadden bekeken.
De uitkomsten van dit onderzoek geven volgens onderzoeker Kate Lee aan dat een kort moment ‘groen’ vermoeide medewerkers al een boost kan geven. Dus, last van stress of spanning op het werk? Een blik uit het raam kan al wonderen doen!

Groen licht voor Groene Agenda FloraHolland en iVerde

Het Programma de Groene agenda staat voor een gezonde leef-, woon- en werkomgeving en gaat  in 2015 van start. Begin december kregen FloraHolland en iVerde groen licht van de Topsector Tuinbouw en uitgangsmaterialen  om met het aangevraagde budget de verdere uitwerking van het programma en de vier benoemde projecten te beginnen. De projecten zijn ‘Van Groen naar Gezond’, ‘Ecosysteemdiensten van Boomkwekerijproducten’, ‘Groen voor Grijs’ en ‘Groene gezonde ziekenhuizen’. In de toekomst worden meer projecten benoemd en toegevoegd aan de Groene Agenda.
Met deze projecten worden innovatieve en in de praktijk goed hanteerbare groenconcepten ontwikkeld.  De focus ligt op groen in en om de bebouwde omgeving met als uitgangspunt de positieve effecten van groen op gezondheid en welbevinden.
Van kennis naar praktijk
De komende decennia wordt de samenleving geconfronteerd met extremere weersomstandigheden, vergrijzing van de bevolking en  toenemende verstedelijking.  Daarnaast zal de kwaliteit van de woon-, werk- en leefomgeving meer en meer negatieve effecten hebben op de gezondheid en het welbevinden van de mens. Groen draagt er aan bij om dit soort problemen op te lossen.  De positieve effecten van groen zijn in verschillende onderzoeken aangetoond. Dankzij het Programma de Groene agenda kan deze kennis nu worden omgezet naar kunde en verdienmodellen. iVerde en FloraHolland gaan daarom naast kennisontwikkeling het accent leggen op de transitie van kennis naar praktijk. Het bedrijfsleven wordt actief betrokken bij de uitvoering van de projecteren alsook de inzet van het netwerk van ‘De Groene Stad’ in binnen- en buitenland.
Samenwerking maakt sterk
FloraHolland en iVerde hebben in september een convenant gesloten. Zij maken zich samen sterk voor een gezonde leef-, woon- en werkomgeving. iVerde is een platform waarin Anthos, Branchevereniging VHG en de LTO Vakgroep Bomen en Vaste Planten participeren en richt zich op het vergroten van de maatschappelijke bewustwording en waardering van groen in binnen- en buiten.

Dichtbij een park, minder gedragsproblemen

Kinderen die worden geboren en opgroeien ver van groene parken hebben vaker last van gedragsproblemen dan leeftijdsgenoten die leven dichtbij stedelijk groen. Dat is de uitkomst van een studie die onder leiding van het Instituut voor Epidemiologie, het Helmholtz Centrum in München is uitgevoerd onder kinderen van tien jaar. Het effect van de nabijheid van ‘groen’ werd alleen vastgesteld voor ‘stedelijk groen’, parken, niet voor de nabijheid van bossen of tuinen.
De wetenschappers maakten gebruik van statistisch materiaal dat de afgelopen jaren is verzameld, de in wetenschappelijke kringen bekende GINIplus en LISAplus studies. De gegevens over de gezondheid van kinderen in de Duitse steden München en Wesel werden verzameld sinds 1992 om de invloed van voedings- en omgevingsfactoren op de gezondheid van kinderen te meten.
De onderzoekers stelden een duidelijke relatie vast tussen enerzijds de afstand in meters, tussen de woonplaats van kinderen en stedelijk groen, parken, en anderzijds de kans dat zij leden aan hyperactiviteit en concentratieproblemen. Verder viel op dat de problemen alleen bij jongens konden worden gemeten, niet bij meisjes. De studie was niet gericht op het zoeken naar oorzaken en daarover speculeren de onderzoekers dan ook niet. Maar voor ons, Groene Stad, is de conclusie duidelijk: stedelijk groen helpt ons gezond te leven!

Welke invloed heeft straatgroen in de stad?

NHTV internationaal hoger onderwijs Breda gaat onderzoek doen naar de effecten van straatgroen op de kwaliteit van leven van de inwoners van de vier grote Brabantse steden: Eindhoven, Tilburg, Breda en ‘s Hertogenbosch. Het heeft als doel te achterhalen welke vorm en combinatie van straatgroen het meest positieve effect heeft op het welzijn van de stedeling. Het onderzoek gebeurt in samenwerking met de 4 gemeenten, de Technische Universiteit Eindhoven en de Rijksuniversiteit Groningen.
Gezonde kracht van de natuur
Er is al veel onderzoek verricht naar de gezonde kracht van de natuur. Voornamelijk grote stukken natuur, zoals bossen en parken. Een groene omgeving helpt mensen ontspannen. Het zorgt voor verkoeling, mensen voelen zich er gezonder door én zijn dat ook. Als grote stukken natuur een positief effect hebben op de mens, wat is dan de invloed van kleine stukjes natuur in de stad? Zoals bomen, gras, bloemen of een klimop op de muren in de straat waar men dagelijks doorheen rijdt. Deze vraag was de aanleiding voor ir. Robert van Dongen (hogeschooldocent Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening) van NHTV Breda om zijn promotieonderzoek op dit onderwerp toe te spitsen. Van Dongen voert zijn door NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) gefinancierd promotieonderzoek uit aan de Technische Universiteit Eindhoven in samenwerking met de Rijksuniversiteit Groningen.
Onderzoek onder inwoners
De komende weken wordt het onderzoek uitgerold in en in samenwerking met de vier Brabantse grote steden. Door het samenwerken met de gemeenten wordt een grote groep inwoners bereikt en door een hoge respons kunnen er betere conclusies getrokken worden, specifiek per gemeente. De gemeenten verspreiden een vragenlijst onder een deel van hun inwoners (via het burgerpanel of digipanel). De enquête bestaat onder andere uit beeldmateriaal met diverse groene inrichtingen. De inwoners mogen reageren op het beeldmateriaal. Deze reacties zullen met behulp van specifieke onderzoeksmethoden vertaald worden naar voorkeuren en rustgevende effecten.
Resultaten
De resultaten zullen in 2015 beschikbaar komen. De resultaten zullen zowel worden gebruikt om de wetenschappelijke kennis over beleving van straatgroen te vergroten, als hun nut hebben voor de gemeenten met het oog op zo goed mogelijk aanleggen, onderhouden of verbeteren van het groen in de straat. Hierdoor kan het woonplezier en de gezondheid in de steden verhoogd worden.
 
Bron: NHTV

Hoe we onze steden klimaatbestendig kunnen houden

Europese steden zijn nog niet genoeg aangepast aan klimaatverandering, en lopen dus extra risico onder extreme weersomstandigheden zoals overstromingen of hittegolven. De verantwoordelijkheid voor aanpassing moet helder verdeeld worden. Dat schrijft promovenda Heleen Mees van de Universiteit Utrecht in haar proefschrift.

Kwetsbaar

Steden in Europa krijgen steeds meer te maken met overlast van klimaatextremen door klimaatverandering, zoals hevige regenbuien, hittegolven en extreme droogte. Deze extreme weersomstandigheden gaan de komende jaren alleen maar toenemen in intensiteit en in frequentie. Omdat een stad heel veel mensen, kapitaal en vitale infrastructuur herbergt, is ze extra kwetsbaar voor dit soort veranderingen. Ook speelt mee dat steden vaak dichtbij zee en rivieren liggen en dat ze door de verstening nog heter worden en moeilijker grote hoeveelheden regenwater kunnen verwerken.

Groeiend probleem

Het achterblijven van stedelijke aanpassing aan het veranderende klimaat is een groeiend probleem. Dat blijkt wel uit het verleden: de hittegolf van 2003 kostte 15 duizend Parijzenaren het leven, en orkaan Sandy veroorzaakte in 2012 voor bijna 70 miljard dollar aan schade in New York en omstreken. Desalniettemin zijn Europese steden nog maar mondjesmaat begonnen met het maken van plannen en het nemen van maatregelen.

Verantwoordelijkheid

Zonder een duidelijke afgebakende verdeling van verantwoordelijkheden tussen burgers, bedrijven en gemeenten komt die aanpassing niet van de grond, schrijft promovenda Heleen Mees in haar proefschrift. “Mijn onderzoek laat zien dat daar waar steden in actie komen, gemeenten nu veel verantwoordelijkheid op zich nemen”, vertelt ze. “En burgers en bedrijven beperken zich tot het uitvoeren van enkele maatregelen. Maar door de toenemende effecten van klimaatverandering zal de druk op de gemeenten toenemen en zullen ze de hulp van bedrijven en burgers moeten inschakelen. Ik heb voor mijn promotie een methode ontwikkeld om die verantwoordelijkheden op een afgewogen manier en in samenspraak met belanghebbende private partijen te kunnen verdelen.”

Verdeelmethode

“Mijn methode laat beleidsmakers bewust nadenken over bij wie ze bepaalde verantwoordelijkheden neer kunnen leggen, op basis van een gebalanceerde set van belangrijke maatschappelijke overwegingen”, vervolgt Mees. “Dat voorkomt dat men terugvalt op de gebaande paden en routines, en zorgt voor een verantwoorde verdeling van verantwoordelijkheden tussen de gemeenten , burgers en bedrijven. Daarmee kunnen steden uiteindelijk klimaatbestendig gemaakt worden.”

Bron: Universiteit Utrecht

Eerste stap naar Kennis- en Educatie Deal Biodiversiteit

De Kennis- en Educatie Deal (KED) Biodiversiteit is 13 maart van start gegaan met ruim 40 deelnemers, afkomstig uit onderwijs, ondernemingen, onderzoek, overheid en (burger-)organisaties, de vijf O’s. Het doel van de Ronde Tafel is om gezamenlijk te verkennen hoe we rond het thema biodiversiteit in de stad met elkaar kunnen leren, agenderen en programmeren.
Lees hier meer over dit initiatief.

Nader onderzoek naar het effect van groene daken

De meeste steden hebben grote behoefte aan extra waterberging om wateroverlast te voorkomen. Steeds vaker zoeken waterschappen en gemeenten die berging niet meer in, maar €˜op de stad€™. Met planten en grassen begroeide daken zouden uitstekend functioneren als tijdelijke waterberging tijdens hevige regenbuien, en bovendien zorgen voor een aangenaam binnenklimaat en verkoeling van de directe omgeving.  Maar werkt het echt?
STOWA (Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer) laat het onderzoeken.
De behoefte aan nader onderzoek is evident, aldus Kees Broks die namens STOWA het onderzoek begeleidt. €œWaterschappen gaan op dit ogenblik zeer verschillend  om met groene daken. Het ene waterschap neemt ze al mee in hun berekeningen voor de stedelijke wateropgave.  Soms is men zelfs bereid een gedeelte van de aanleg te  subsidiëren. Het andere waterschap laat groene daken in  deze rekensom geheel buiten beschouwing. Er bestaan  kortom heel verschillende verwachtingen over de mate  waarin het vergroenen van daken kan bijdragen aan klimaatbestendig stedelijk waterbeheer. Dat heeft veel te maken met het feit dat de vermeende eigenschappen van  groene daken nu direct worden vertaald in het effect dat ze zouden hebben op het stedelijke watersysteem. Maar  dat verband is nooit goed onderzocht. Hoog tijd daar eens goed aan te gaan meten.â
Moderne testlocatie
Voor dat meetwerk haakt STOWA aan bij Het Daklab, een moderne testlocatie op het dak van het gloednieuwe onderkomen van het Nederlands Instituut voor Ecologie  (NIOO-KNAW) in Wageningen. Op Het Daklab doet een groot aantal partijen gezamenlijk experimenteel onderzoek naar het effect van (biodiverse) dakvergroening op energie, klimaat en waterhuishouding. Kees Broks: ‘€œWe  gaan uiteenlopende groene dakbedekkingen van diverse  diktes onderzoeken, en bekijken onder meer het effect dat ze hebben op de waterbalans: wat gebeurt er met  gevallen neerslag? Wat verdampt er, hoeveel van de neerslag wordt opgenomen door de vegetatie en wat is de uiteindelijke afvoer van het dak? Ook willen we graag weten  wat er gebeurt bij hevige regenval. In hoeverre vlakken groene daken – in vergelijking tot een normaal dak – de piekafvoeren af? Uiteindelijk willen we goed onderbouwd antwoord kunnen geven op de vraag of, en zo ja: in hoeverre en wanneer er sprake is van een significant effect op de benodigde waterberging in stedelijk gebied. Moet je daarvoor honderd huizen van een groen dak voorzien, of gaat  het pas renderen als je een hele woonwijk vergroent?’€
Mitsen en maren
In het onderzoek wordt ook nadrukkelijk gekeken naar  de mogelijke mitsen en maren van dakvergroening, aldus Broks.  ‘€œEen groen dak kan water bergen, maar heeft ook  water nodig. Het is niet de bedoeling dat je in droge perioden het dak op moet om het water te geven. Hoe zorg je  ervoor dat de vegetatie onder alle omstandigheden waterhuishoudkundig optimaal blijft functioneren? En wat is er nodig aan beheer en onderhoud? Het zijn allemaal vragen waar op dit ogenblik nog geen bevredigende antwoorden op zijn.’€
Tijd om het uit te zoeken
Kees Broks hoopt met het onderzoek te bewerkstelligen dat waterschappen groene daken uiteindelijk een volwaardige plek kunnen geven als een van de mogelijke  maatregelen om te voldoen aan de stedelijke wateropgave. ‘€œZe zouden projectontwikkelaars, gemeenten en eigenaren duidelijke specificaties voor vegetatiedaken kunnen meegeven, die passen bij de doelstellingen voor  de waterhuishouding, met daarbij de effecten hiervan op  de stedelijke wateropgave. Zover is het nog niet. Maar we  hebben de tijd om het uit te zoeken. Juist omdat het aanleggen van groene daken over tien of twintig jaar ook nog  mogelijk is, ook in bestaande situaties.’
Bron:
STOWA

Amerikaans onderzoek toont aan dat bomen misdaad doen dalen

Hoe meer bomen een stad heeft, hoe lager de misdaad er is. Dat blijkt uit Amerikaans onderzoek.

De onderzoekers stelden vast dat er minder diefstallen, inbraken, overvallen en schietpartijen plaatsvonden naarmate er meer bomen stonden. Tien procent meer bomen deed de misdaad met 12 procent dalen.

Lees het volledige bericht hier »

Bron:
IPS