Berichten

Landelijke start Operatie Steenbreek

Op woensdag 28 januari wordt een bijeenkomst georganiseerd in Leeuwarden. Deze vormt de landelijke aftrap van Operatie Steenbreek. Het doel van dit initiatief is om burgers te enthousiasmeren hun tuin en/of dak te vergroenen.
Operatie Steenbreek wordt georganiseerd door KNNV, Hogeschool VHL, Rijksuniversiteit Groningen, Maastricht Universiteit, Alterra, Wageningen UR, Haags Milieucentrum en Entente Florale Nederland in samenwerking met Groningen, Leeuwarden, Den Haag, Eindhoven en Amersfoort.
Meer informatie over het initiatief is te vinden op deze website.Bekijk ook dit filmpje of luister hier een radio 1 fragment met Joop Spijker (Universiteit Wageningen) terug over Operatie Steenbreek.

Naamgeving van planten: minder eenvoudig dan je denkt

Wie dacht dat het probleem van de naamgeving van planten en dieren is opgelost sinds de publicatie van het ‘Systema Naturae’ door de Zweedse wetenschapper Linnaeus – bekend van vele straten en pleinen in Nederland en in de rest van de wereld – heeft het mis. Het systeem van Linnaeus staat nog overeind met, huiselijk gezegd, tweeledige namen voor elke plant en dier. De eerste naam geeft aan over welke soort (genus) we het hebben, de tweede, eveneens Latijnse naam, bepaalt de species, de specifieke naam van de plant. In 1753 verscheen Species Plantarum, als uitwerking van de al in 1738 (in Nederland!) gepubliceerde Systema.
Tot zover de geschiedenis en als systeem houdt het werk van Linnaeus nog steeds stand. Maar begrijpelijkerwijs kende Linnaeus nog niet alle planten die nu, anno 2014, zijn geregistreerd. Bovendien, met alle respect voor de formidabele innovaties die hij teweegbracht, ook Linnaeus vergiste zich wel eens in de naamgeving, de indeling van soorten en individuele species.
Onzekerheid wegnemen
Daar zouden we onze schouders over kunnen ophalen, ware het niet dat in de internationale handel in planten duidelijkheid over de vraag over welke plant we het nu eigenlijk hebben, essentieel is. Dat de namen van houtige gewassen en planten in de landstalen verschillen – dat spreekt vanzelf. Maar juist de Latijnse benamingen hebben de functie van waarborg om in het internationale verkeer alle onzekerheid weg te nemen.
Kwekers hanteren catalogi, gebaseerd op onderzoek dat in Nederland wordt uitgevoerd door Praktijkonderzoek Plant & Omgeving. Soms blijkt uit DNA-onderzoek dat verschillen en verwantschappen, die ooit zijn bepaald op grond van het uiterlijk, niet overeenstemmen met de biologische werkelijkheid. Dan wordt de namenlijst aangepast.
Periodieke aanpassingen
In een artikel van ir. Marco Hoffman van de Universiteit Wageningen lezen we dat de wetenschappelijke (dus Latijnse) namenlijsten elke vijf jaar worden vernieuwd en dat grote veranderingen, zoals andere geslachtsnamen en de splitsing of samenvoeging van soorten planten (die bij nader onderzoek niet of juist wel bij elkaar blijken te horen) eens in de tien jaar worden gepubliceerd. Zo worden kwekers en handelaars – en niet te vergeten hun handelspartners over de hele wereld – in staat gesteld hun catalogi aan te passen. Wie tussentijds op de hoogte wil blijven van ontwikkelingen wil blijven van ontwikkelingen kan alle nodige informatie vinden op de website: www.internationalplantnames.com.
 
 

‘Het ene groen is het andere niet’ … een interview met Marco Hoffman – taxonoom

Marco Hoffman is als taxonoom verbonden aan de Universiteit Wageningen, waar hij onder andere onderzoek doet naar de gebruikswaarde van groen. ‘Als je een meerwaarde wilt creëren bovenop de sierwaarde, zul je ook naar andere dingen moeten kijken.’
 
Hoe ben je tot de bomen gekomen ofwel wanneer werd jouw interesse in bomen gewekt?
Van jongs af aan ben ik een natuurmens geweest. Altijd was ik buiten bezig met dieren, planten etc. Ik ben letterlijk grootgebracht in het groen- in Groenlo- in de Achterhoek dus. Mijn liefde voor bomen moet zijn ontstaan toen ik in de vakanties mijn oom hielp op zijn kwekerij.
Daarna kon het bijna niet anders dan dat ik biologie ging studeren in Wageningen. Na de algemene opleiding heb ik me gespecialiseerd via botanie in taxonomie en uiteindelijk in de taxonomie van cultuurgewassen. Kort gezegd: de naamgeving en gebruikswaarde van bomen en planten.
Ik heb veel geluk gehad met mijn eerste baan. Je kunt je voorstellen dat de banen niet voor het oprapen liggen in zo’n gespecialiseerd vakgebied. Uiteindelijk is er maar een handjevol mensen actief op mijn terrein. Ik werk nog steeds bij mijn eerste werkgever, het huidige PPO (Praktijkonderzoek Plant en Omgeving) dat verbonden is aan de Universiteit Wageningen. Daarnaast ben ik ook nog twee dagen per week werkzaam bij Naktuinbouw, waar rassenonderzoek wordt gedaan en we een aantal wettelijke taken uitvoeren. We testen bijvoorbeeld in het kader van het kwekersrecht, nieuwe aanmeldingen.
 

Praktijkonderzoek Plant en Omgeving richt zich op co-innovaties met partners uit de landbouwsectoren, wetenschap, bedrijfsleven en overheid. Samen met opdrachtgevers analyseert PPO vragen over teelt en bedrijfsvoering, en vertaalt deze in toepassingsgericht onderzoek en ontwikkeltrajecten. PPO werkt op projectmatige basis en is gevestigd in Randwijk.

 
Vertel eens wat meer over dat ‘toepassingsgericht onderzoek’. Wat houdt dat precies in?
Het ene groen is het andere niet. Allereerst is het de vraag wat je precies wilt bereiken met het planten van een boom of een struik. Als je een meerwaarde wilt creëren bovenop de sierwaarde – of het leuk staat -, zul je ook naar andere dingen moeten kijken. Wij noemen dat met een mooi woord ‘groen een ecosysteemdienst laten vervullen’. Je kijkt dan bijvoorbeeld naar welke beplantingen en plantensoorten het meest geschikt zijn voor het filteren van fijnstof uit de lucht, het vasthouden van water, en het verhogen van de biodiversiteit (bijvoorbeeld het aantrekken van vogels en vlinders). En dat is precies waar ik onderzoek naar doe bij PPO.
De laatste jaren is echter ook bij gemeenten doorgedrongen dat groen veel meer is dan ‘stoffering’ en aankleding. Zo is biodiversiteit tegenwoordig een hip thema en gelukkig is ook de bijdrage die groen levert aan de verbetering van de milieukwaliteit, steeds meer bekend.
 
Waar zit de innovatie precies?
Dat zit hem in een paar verschillende dingen. In de eerste plaats in de selectie van planten, struiken en bomen en in de combinatie daarvan. We krijgen steeds meer zicht op welke plant onder welke omstandigheden bijdraagt aan een betere, gezondere leefomgeving. Daarnaast moet je denken aan nieuwe toepassingen zoals wadi’s in nieuwbouwwijken, groene gevels en daken, stadstuintjes enz. Verder zijn er geweldige initiatieven als ‘groene schoolpleinen’, ‘natuur in de straat’ en allerlei burgerinitiatieven. Denk aan trends als initiatieven van bewoners om in hun straat of wijk te werken aan vergroening, het onderhoud ervan tot zelfs urban farming-projecten.
 
 
Je zegt dat gemeenten steeds meer bekend zijn met de baten van groen. Toch blijkt uit onderzoek dat er flink wordt bezuinigd op aanleg en onderhoud van groen?
Dat is inderdaad een kwalijke ontwikkeling, die ik overigens zeer onverstandig vind. Waar ik me het meest zorgen over maak, is het korte termijn denken achter deze bezuinigingen. Op het eerste gezicht lijkt groenonderhoud een simpele bezuinigingspost, waar de burger verder weinig last van heeft. Je vernietigt hiermee echter zoveel kapitaal voor de toekomst.
Groenstroken worden vervangen door grasveldjes, bomen worden gekapt zonder dat er nieuwe voor in de plaats geplant worden. Gras kan zeer functioneel zijn als recreatieplaats, maar is op veel plaatsen geen kwaliteitsgroen. Het doet bijvoorbeeld niet zoveel voor biodiversiteit of luchtzuivering. Waar mensen blij van worden is juist die diversiteit in het groen, van verschillende planten naast elkaar in een border, heesters, bomen enz.
Mensen houden van mooie kleurenpaletten. En dan zijn er nog de risico’s die verlies aan diversiteit met zich meebrengt: het creëren van een monocultuur in de stad – eentonig groen- maakt ziekteverspreiding eenvoudiger. Wanneer één boom ziek wordt, zal de ziekte zich doorgaans sneller verspreiden door de straat of de stad als het één en hetzelfde ras betreft.
Ik heb daarom ook het werk dat ‘de Groene Stad’ deed altijd heel belangrijk gevonden. Zij communiceerden over juist de lange termijn effecten van bomen, planten en biodiversiteit voor de leefomgeving. Ik begrijp dat iVerde het werk van ‘de Groene Stad’ voortzet. Ik ben blij dat te horen. Die boodschap kan niet vaak en indringend genoeg worden verkondigd.
 
Waar liggen de uitdagingen volgens jou?
Ik denk dat de grootste uitdaging op dit moment is: hoe zorgen we voor mooi, kleurrijk én soortenrijk groen in onze steden en dorpen, dat bijdraagt aan een betere leefomgeving en aan de andere kant toch ook onderhoudsarm is. Hiervoor is fundamentele en praktische nieuwe kennis nodig. Een andere grote uitdaging ligt in het verspreiden van de bestaande kennis over groen. Vroeger zat er veel groenkennis bij gemeenten, maar deze deskundigheid is voor een groot deel wegbezuinigd. Je ziet dat gemeenten daarom vaak derden inhuren. Kwekers of hoveniers die zowel voor aanleg als onderhoud zorgen. Om nieuwe inzichten en de huidige kennis door te geven, werk ik als projectleider aan een geprofessionaliseerd onderwijsprogramma voor MBO- en HBO-groenopleidingen, het zg. Bogo-project ‘Functies van stedelijk groen en beplantingskeuze’. Door middel van dit project geven wij de kennis door aan de nieuwe generatie en denken we na over innovatieve groenoplossingen voor de toekomst.